30 Sep 2022
Speelgoedwinkel.Rekenmateriaal uit de speelgoedwinkel.Rekenmateriaal uit de speelgoedwinkel. § 1.3.1
Kardinaliteit.Kardinaliteit is aantal. § 1.3.1
Realistisch rekenen.Realistische eendjes tellen. § 1.3.1
Subitizing.En Rekenvoorwaarden § 1.3.1
Oogfixatieveld.En Rekenvoorwaarden § 1.3.1
Dobbelstenen.En rekenvoorwaarden. § 1.3.2
Apen.Vermenigvuldigen. § 1.4.3
Seriatie.Objecten op volgorde van hoeveelheid leggen: van kort naar lang, van licht naar donker, etc. § 1.4.4
Behoud van hoeveelheid.Behoud van hoeveelheid: het aantal verandert niet, ook al heeft een groep veel blauw bijvoorbeeld. § 1.5.1
Conservatie.Zie behoud van hoeveelheid. § 1.5.1
Apen.Behoud van hoeveelheid begrijpen. § 1.5.1
Kardinaliteit.En kleuters. § 1.5.2
Ordinaliteit.En kleuters. § 1.5.2
Bijtellen.Nadat het kind voor elke term een groepje maakt, telt het de tweede term gelijk bij de eerste term. Dus: 4+3= 4 (eerste term),5,6,7 is 7. § 2.3.2
Startfout.Als het kind bijtelt en het start bij de tweede term één te laag dan maakt het een startfout. Dus 4+3= 3,4,5 is 6. § 2.3.2
Bolleboos.Vroegtijdig herkennen. § 2.3.2
Bolleboos.Vermenigvuldigen en delen. § 2.3.2
Realistisch rekenen.Met kabouters. § 2.4.1
Turven.Turven is streepjes zetten om de tel bij te houden. § 2.4.2
Vermenigvuldigen.Tafel van 5, incidenteel leren. § 2.4.2
Indicenteel leren.Tafel van 5. § 2.4.2
Flitsen.Voor tellers. § 2.4.3
Apen.Stipgroepen herkennen. § 2.4.3
Verhaspelen van woorden.De woorden tellen en hoeveel. § 2.5.1
Teltrauma.Teltrauma vookomen. § 2.6
Optellen.Verwarrend woord. De reken­meester zegt vaak tellen maar wil niet dat er geteld wordt. § 3.1.1
Optelsom.Verwarrend woord. De reken­meester wil juist níét dat het kind rekent door optellen. § 3.1.1
Telwoord.Verwarrend woord. Onduidelijk is of bedoeld wordt rang- of aantaltelwoord. Beter zou zijn: aantalwoord voor aantallen en volgordewoord of rangwoord voor volgorde. § 3.1.1
Rangtelwoord.Een beetje dubbelop. Rang is volgorde en tellen is volgorde bepalen. § 3.1.1
Volgordewoord.Het woord. § 3.1.1
Teltrauma.Oorzaak: verwarring volgordegetal en aantalgetal. § 3.1.1
teltrauma.Wat is het teltrauma. § 3.2.1
Grote getallen.Leren automatiseren van kleine sommen. § 3.2.2
Realistisch rekenen.Met bussen en liften. § 3.3.1
Vingerbeelden. § 3.3.3
SubitizingSubitizing is in één keer, zonder tellen n wat het aantal is, bijvoorbeeld zes op een dobbelsteen. § 3.3.5.2
Getallenlijn.Getallenlijn of rangordelijn. § 3.3.5.6
Teltrauma.Teltrauma door de getallenlijn? § 3.3.5.6
Teltrauma.Verdachte: getallenlijn § 3.3.5.6
Kindrealiteit.Aantal wielen van voertuigen. § 3.3.7
Tafels.Tafel van 2 met wielen van voertuigen. § 3.3.7
Getallenlijn.Staand of liggend. § 3.3.8
KindrealiteitGetallenlijn staand liggend. § 3.3.8
Incidenteel leren.Identificeren van stip- en taartpuntaantal onder 10. § 3.3.8
Kindrealiteit.Ronde getallenlijn. § 3.3.8
Lbi-psychologieKlokkijken en tafels van 3 en 6 incidenteel aanleren. § 3.3.8
Klokkijken.Eerste stap analoog klokkijken. § 3.3.8
Analoge klok.Als getallenlijn. § 3.3.8
Vermenigvuldigen.Tafel van 3 met analoge klok. § 3.3.8
Analoge klok.Als getallenlijn. § 3.3.8
Vermenigvuldigen.Tafel van 3 met analoge klok. § 3.3.8
Vingertellen.Veroorzaakt door taal? § 3.4.2
Teltrauma.Door het woord tellen. § 3.4.2
Telraam.Het woord. § 3.4.3
Tweelingsom.Onthouden met rijm. § 3.4.4
Som van de week.Wat is de som van de week. § 3.4.5
Teltrauma.Door instampen. § 3.5.1
TafelsOpdreunen. § 3.5.1
Commutatieve wet.Termen mag je omdraaien. 2+7=7+2. In kindertaal: met de grote beginnen mag of omdraaien (van termen) mag. § 3.6.1
Omdraaier. commutatieve wet. § 3.6.1
Sloom werkblad.Blad met een rij uit te rekenen sommen. De volgorde is min of meer toevallig. In tegenstelling tot sluwe leerbladen. § 3.6.1
Sluw leerblad.Het kind ontdekt zelf de commutatieve wet. § 3.6.1
Tweelingsom.Som met gelijke termen (4+4, 5x5). Ook wel vriendjessom of dubbele som genoemd . § 3.6.3
Dubbele som.Zie tweelingsom. § 3.6.3
Vriendjessom.Zie tweelingsom. § 3.6.3
Sluw leerblad.Leren van Eén-erbij-sommen § 3.6.4
Eén-erbij-somem>5+4? is dan: 4+4 (weet ik)+1=5 § 3.6.4
Bijna-tweeling-somHet woord. § 3.6.4
Geheime som.Wat is een geheime som van 4+5? § 3.6.4
Buurvrouw-somHet woord. § 3.6.4
Sluw leerblad.Bijvoorbeeld een tabel met optelsommen met een uitkomst onder 10. § 3.6.5
Sluw leerblad.Bijvoorbeeld een tabel met optelsommen met een uitkomst onder 10. § 3.6.5
Grote getallen.En nul. § 4.2
Getallenlijn.Nul op de getallenlijn. § 4.3.2
NulOp de analoge klok. § 4.3.3
Analoge klok.En nul. § 4.3.3
Voorloopnul.Bij de introductie van 10. § 4.4.1
Kindrealiteit.Speelkwartier: 10:15 op digiboard. § 4.4.1
Leeg.Duidelijk alternatief voor nul (lege plaats). § 4.4.2
Nul.Uitleg van nul. § 4.4.2
Kindrealiteit.Negatieve getallen. § 4.5.1
Realistisch rekenen.Met negatieve getallen. § 4.5.1
Getallenlijn.Met negatieve getallen. § 4.5.1
Negatieve getallen.Misschien zo gek nog niet. § 4.5.1
Bolleboos.Negatieve getallen. § 4.5.1
Plaatswaarde.Plaatswaarde is ... § 5.2.2
Onder elkaar.Maakt sluwe oplossingen mogelijk. § 5.2.2
Twaalf.Rekenkundig gezien eigenlijk 'een (op de nul van) tien'. Zeg wel dit tegen de kinderen en: Maar we noemen hem twaalf. § 5.2.3
Breken naar 10.Ook wel genoemd: De vloek van de kennis. § 5.3
Grote getallen.En plaatswaarde. § 5.3
Incidenteel leren.Bijvangst bij plaatswaarde is dat het kind sommen onder tien oefent (en automatiseert door min of meer incidenteel leren). § 5.3
MAB.Multibase Arithmetic Blocks. § 5.4.1
Lusabacus.Lusabacus en plaatswaarde. § 5.4.3
Naast elkaar. De termen van de som naast elkaar. De op te tellen cijfers en hunb som staan uit elkaar. Deze verbeelding noemt men ook wel rijgen ( 12+34=10+30+2+4=40+6=36). § 5.4.6
Onder elkaar.De termen staan onder elkaar. De op te tellen cijfers en hun som staan bij elkaar in een kolom.
  12
+34
=36. Vaak tabellarisch genoemd. In tegenstelling tot termen naast elkaar (rijgen). § 5.4.7
Grote getallen.En termen onder elkaar plaatsen. § 5.4.7
Grote getallen.Niet doen omdat dit met rijgen niet kan. § 5.4.7
Spiegelen.Door rijgen. § 5.4.7
Spiegelen.Voorkomen met onder elkaar. § 5.4.7
Toets.Niet valide als plaatswaarde(begrips)fouten en waarneemfouten niet uitgefilterd zijn. § 5.4.7
Positiewaarde.Zie plaatswaarde § 5.5.1
Voorloopnul.Voorloopnullen (01) vullen de lege posities links van de cijfers, je schrijft dus niet 1 maar 01. § 5.5.2
Kindrealiteit.Voorloopnul op het digiboard. § 5.5.2
Tien.Het woord. Discrepantie tussen taal en rekenen. Eén lettergreep voor twee rekenkundige begrippen: eenheden en tientallen. § 5.5.4
Voorloopnul.Wel tonen bij uitleg. § 5.5.4
Elf.Het woord. Discrepantie tussen taal en rekenen. Eén lettergreep voor twee rekenkundige begrippen: eenheden en tientallen. § 5.5.4
Twaalf.Het woord. Discrepantie tussen taal en rekenen. Eén lettergreep voor twee rekenkundige begrippen: eenheden en tientallen. § 5.5.4
Kindrealiteit.Turkse telwoorden. § 5.5.4
Kindrealiteit.Russische telwoorden. § 5.5.4
Vijftien.Het kind zou kunnen denken vijf (van/maal) tien dus 50. § 5.5.4
Spiegelen.12 schrijven maar 21 bedoelen. § 5.5.4
Grote getallen.En onder elkaar. § 5.6.1
Grote getallen.Vroegtijdig introduceren. § 5.6.1
Breken naar 10.Breken naar 10 is het opbreken van één term om van de andere term een tiental te maken. Sommen met een tiental zijn gemakkelijk. Dus 8+5=8+2+3=10+313. §
Aanvullen tot 10.Zie breken naar 10. §
Splitsen tot 10.Zie breken naar 10. §
Grote getallen.En plaatswaarde. § 6.1.3
Breken naar 10.Ook wel genoemd: De vloek van de kennis. § 6.1.3
Grote getallen.En Breken naar 10 § 6.1.5
Mond houden reken­meester.Bij Breken naar 10 § 6.2.2
Splitsen om 10.Zie Breken naar 10. § 6.3.1
Rijgen.Voor Breken naar 10 § 6.3.2
Dakjesmethode.Het dakje is een verbeelding van het breken van een term om 10 te krijgen. § 6.4.1
Sluw werkblad.Voor breken naar 10. § 6.4.2
Mond houden reken­meester.Bij Breken naar 10 met sluw werkblad. § 6.4.2
Psychologie.List, bedrog en intimidatie-psychologie. § 7.1.1
Kindrealiteit.Ruil-systemen voor maten, tijden en geld. § 7.2
MAB.Ruilen met MAB. § 7.3.1
KindrealiteitEn klokkijken. § 7.3.5
Nul.En analoog klokkijken. § 7.3.5
Klokkijken.Fun met urenveldklok. § 7.3.5
Kindrealiteit.Kindrealiteittijdcontrol. § 7.3.5
Incidenteel leren.Tafel van 5 en 6. § 7.3.5
Tientalpassering.Zie Ruilen. § 7.4.1
Tientaloverschrijding.Zie Ruilen. § 7.4.1
Inwisselen.Zie Ruilen. § 7.4.1
Overbruggen van 10.Zie Ruilen. § 7.4.1
Ruilen van 10.Het gebruikelijke woord voor ruilen van 10 is inwisselen van 10. Het woord inwisselen is op zich correct. Wel is inwisselen nogal abstract en niet een woord uit de kind­realiteit. Ruilen van 10 is plastischer. § 7.4.1
Kindrealiteit.Het woord inwisselen. § 7.4.1
Overschrijding van 10.Overschrijding geeft aan wat er gebeurt. Ruilen van 10 geeft de handeling aan die het kind moet uitvoeren. § 7.4.1
Een onthouden.Onnauwkeurige verwoording. § 7.4.2.1
Geheugensteun.Voor het onthouden van: Tiental aftrekken. § 7.4.2.2
Toets.Geschiedenis. § 8.1.1
Teltrauma.Door focus op product (goede uitkomst), i.p.v. proces (hoe). § 8.1.2
Kwantiwijzer.Waarom de naam Kwantiwijzer. § 8.1.2
Cultuur.Wil control met testen. § 8.1.2
Toets.Kwalitatief toetsen. § 8.1.2
Handeling.Met de handen. § 8.2
Oogvriendelijk.Een verbeelding is oogvriendelijk wanneer de noodzakelijke informatie in het oogfixatieveld past, een markant patroon heeft, overeenkomt met de uit te voeren handelingen en liefst flitsend of dynamisch getoond kan worden. Met oogvriendelijke patronen kan het oog, zonder tellen, sommen tot 20 maken. § 8.3
Realistisch rekenen.En oogvriendelijkheid. § 8.3.3
Kindrealiteit.Bij ’kind’realiteit sluit het rekenen aan bij de wereld van het kind door te laten zien hoe het kind zijn wereld buiten de rekenles met getallen kan ordenen. § 8.3.3
Incidenteel leren.Door kindrealiteit. § 8.3.3
Oogfixtieveld. Op het netvlies ligt rond het fixatiepunt een ovaal veld met zeer veel receptoren. Het aantal receptoren neemt af naar de zijkant van het blikveld. Het oogfixatieveld heeft een afmeting van 5°. Daarmee kan een mens ongeveer 10 letters redelijk lezen. Informatie in het oogfixatieveld is bewust aanwezig en hoeft niet in het werkgeheugen. § 8.3.4
Nul.Verbeelding met ring. § 8.3.4
Blind.Voelbare markante punten. § 8.3.4
Blind.Het vingertipfixatieveld. § 8.3.4
Partial identification.Om tijd te winnen luisteren en kijken de hersenen maar met een half oog en een half oor. § 8.3.5
TeltraumaOorzaak: de getallenlijn? § 8.3.5
TeltraumaOplossing: goede stippatronen? § 8.3.5
Flitsen.En oogvriendelijkheid. § 8.3.7
Toets.Vergissingen niet fout rekenen. § 8.3.8
Vergissen.Visuele vergissingen. § 8.3.8
Fouten.Door visueel vergissen. § 8.3.8
Pilotentelwoorden.Om volgordevergissingen bij het doorgeven van getallen te voorkomen, zeggen piloten niet: Koers tweehonderdvijfenzeventig maar twee zeven vijf. § 8.3.8
Hoeveel is ...De opdracht Hoeveel is 2+3?, is paradoxaal. De opdracht betekent voor het kind: Ga 2+3 optellen. De reken­meester zegt Ga tellen. maar wil niet dat het kind gaat (vinger)tellen. § 8.4.2
Realistisch rekenen.En werkgeheugen. § 8.4.2
Rijm.Werkt wel. § 8.4.6
TeltraumaTherapie. § 8.4.6
Cultuur.Wil control met taal. § 8.4.6
Toets.Nodig voor de maatschappij. § 8.4.6
Memoriseren,.’Leren’ door (eindeloos) herhalen. Niet door inzicht of verkorten van handelingen. § 8.5.1
Instampen.Leren rekenen door sommen te herhalen tot het kind de goede uitkomst geeft. § 8.5.1
Kindrealiteit.En instampen. § 8.5.1
Teltrauma.En instampen. § 8.5.1
Sloom werkblad.Het gebruikelijke productgerichte werkblad. § 8.5.2
Werkblad.Het is geen werkblad maar toetsblad. § 8.5.2
Toets.Of werkblad. § 8.5.2
Teltrauma.Door slome werkbladen. § 8.5.2
Realistisch rekenen.En het werkgeheugen. § 8.5.3
Bolleboos.Zoethouden met oppervlak en oneindigheid. § 8.5.5
vermenigvuldigenVan (grote) tientallen. § 8.5.5
Voortschreidende schematisering.Ombuigen van de oplossingen van het kind zelf (Treffers). § 8.5.6
Zone van naaste ontwikkeling.De zone van naaste ontwikkeling houdt in dat de meester de handeling niet vóór doet maar de leerstof zo aanbiedt dat het kind zelf de betere handeling ontdekt. § 8.5.6
Zelf ontdekken.Schijnbaar zelfontdekkend. § 8.5.6
Rekenhaas.www.rekenhaas.nl § 8.5.6
Sluw leerblad.Met microstapjes loopt het kind ongemerkt door het leerproces. § 8.5.7
Incidenteel leren.Bij incidenteel leren leert het kind, zonder dat het expliciet de bedoeling is dat het kind leert. Het kind leert iets ’en passant’, min of meer toevallig, als bijvangst. § 8.5.8
Lbi-psychologieOmschrijving van list-bedrog-intimidatiepsychologie. § 8.5.8
Fouten.Leren zonder fouten. § 8.5.8
Fouten.Leren van je fouten? § 8.5.9
Verkorten.Leren als verkorten. § 8.5.10
Handeling.Geautomatiseerd. § 8.6
Denkvriendelijk.Denkvriendelijk verbeelden. § 8.6
Kindrealiteit.Doel van het rekenen: met getallen de kindrealiteit beheersen. § 9.1
Verhaaltjessom.Een som ’verstopt’ in een verhaaltje. Ook wel redactiesommen. § 9.1.1
Realistisch rekenen.Kale sommen verpakken in realistische verwoordingen en verbeeldingen. § 9.1.1
Taaltombola.Een som waarbij de verwoordingen lastiger zijn dan het oplossen van de som. § 9.1.1
Realistisch rekenenRealiteit in rekenen brengen of rekenen in de realiteit tonen. § 9.1.1
Puntenkennis.Puntenkennis is de relatie tussen twéé dingen kennen. Als je zes gooit dan mag je zes stappen verder (als-dan), als je ’poot’ hoort dan krijg je een beloning als de je rechter poot omhoog doet. Bij het rekenen: hoeveelheidsrelaties: de een is groter dan de ander. § 9.2.2
Teltrauma.Door lijngerichtheid? § 9.2.3
Sluw leerblad.Bijvoorbeeld een tabel met optelsommen met een uitkomst onder 10. § 9.2.3
Algoritme.Een algoritme is een rijtje instructies (een rijtje puntkennnis), bijvoorbeeld een recept, een routebeschrijving of een staartdeling. § 9.2.3.1
Lijnkennis.En de getallenlijn. § 9.2.3.3
Veld met sommen.Bijvoorbeeld een veld met optelsommen met een uitkomst onder 10. § 9.2.3.4
Klokkijken.Fun met klokveld. § 9.2.3.4
Kindrealiteit.En 2-d. § 9.2.3.4
Sommenveld.Ingewikkelder dan lijnkennis is veld­kennis. Bij veld­kennis is er een relatie tussen twéé kennislijnen, twee rijtjes, bijvoorbeeld een grafiek. § 9.2.3.4
Getallenlijn.Getallenlijnen in de kindrealiteit. § 9.2.3.5
Teltrauma.Door verhaspeling van lijn- en veld­verbeelding. § 9.2.3.6
Grote getallen.Verkorten van veld­kennis. § 9.2.3.6
Sluwe leerbladen.Verkorten met sluwe leerbladen. § 9.2.3.6
Psychologie.List, bedrog en intimidatie-psychologie. § 9.2.3.6
Teltrauma.Tellend rekenen als oorzaak? § 9.2.3.6
Teltrauma.Rekenend optellen als oorzaak? § 9.2.3.6
Cultuur.Wil control. § 9.2.3.6
Veldenkennis.N-veldenkennis. § 9.2.4
Apen.Apen en 3-d. § 9.2.4
Apen.Apen en rekenen. § 9.2.4
Veldrekenen.Beschrijving § 9.2.4
Kindrealiteit.En veldenkennis. § 9.2.4
MAB.Voor 3-d-verbeeldingen. § 9.2.4
Klokkijken.Tijd als veldkennis. § 9.2.4
Maten en gewichten.Ronde of vierkante maatbekers? § 9.2.4
















  12
+34
=36. Vaak tabellarisch genoemd. In tegenstelling tot termen naast elkaar. § 5.4.7
breken
MAB.Ruilen met MAB. § 7.3.1 breken
Aanvullen tot 10.Zie breken naar 10. § 6.1 breken
Breken naar 10.Ook wel genoemd: De vloek van de kennis. § 6.2.4 breken
Dakjesmethode.Breken naar 10 (8+5=8+2+3). De dakjes zijn minder 'talig' en meer beeldend dan het rijgen. De tekening van de dakjes verbeelden de uit te voeren handelingen. Het woord dakje geeft de vorm van de verbeelding aan, niet de aard van de handeling. De term breken doet dat wel. § 6.3.2 breken
Grote getallen.En plaatswaarde. § 6.2.4 breken
Rijgen.Rijgen is de stappen van de oplossing achter elkaar uitschrijven. 12+34=10+30+2+4, etc. Niet de termen onder elkaar zetten bijvoorbeeld. Rijgen beschrijft meer het aaneensluiten (van handelingen) dan de rekenhandelingen zelf. § 6.4.1 breken
Sluw werkblad.Voor vreken naar 10. § 6.5.2 getal_kennis
Algoritme.Een algoritme is een rijtje instructies (een rijtje puntkennnis), bijvoorbeeld een recept, een routebeschrijving of een staartdeling. § 9.2.4.3 getal_kennis
Apen.Apen en 3-d. § 9.2.5 getal_kennis
Apen.Apen en rekenen. § 9.2.5 getal_kennis
Grote getallen.Verkorten van veldkennis. § 9.2.4.4 getal_kennis
Kindrealiteit.En 2-d. § 9.2.4 getal_kennis
Kindrealiteit.En veldenkennis. § 9.2.5 getal_kennis
Klokkijken.Fun met urenvelkklok. § 9.2.4.2 getal_kennis
Klokkijken.Tijd als veldkennis. § 9.2.5 getal_kennis
Lijnkennis.Bij lijnkennis gaat het niet om twee objecten die een relatie hebben (puntenkennis) maar om méér objecten/punten die in een bepaalde volgorde staan. § 9.2.4 getal_kennis
Lijnkennis.En de getallenlijn. § 9.2.4.1 getal_kennis
MAB.Voor 3d-verbeeldingen. § 9.2.5 getal_kennis
Maten en gewichten.Ronde of vierkante maatbekers. § 9.2.5 getal_kennis
Psychologie.List, bedrog en intimidatie-psychologie. § 9.2.4.4 getal_kennis
Puntenkennis.Puntenkennis is de relatie tussen twéé dingen kennen. Als je zes gooit dan mag je zes stappen verder (als-dan), als je ’poot’ hoort dan krijg je een beloning als de je rechter poot omhoog doet. Bij het rekenen: hoeveelheidsrelaties: de een is groter dan de ander. § 9.2.2 getal_kennis
Realistisch rekenen.Kale sommen verpakken in realistische verwoordingen en verbeeldingen. § 9.1.1 getal_kennis
Realistisch rekenenRealiteit in rekenen brengen of rekenen in de realiteit tonen. § 9.1.1 getal_kennis
Sluwe werkbalden.Verkorten met sluwe werkbladen. § 9.2.4.4 getal_kennis
Sommentabel.Ingewikkelder dan lijnkennis is veldkennis. Bij veldkennis is er een relatie tussen twéé kennislijnen, twee rijtjes, bijvoorbeeld een grafiek. § 9.2.4 getal_kennis
Taaltombola.Een som waarbij de verwoordingen lastiger zijn dan het oplossen van de som. § 9.1.1 getal_kennis
Veld met sommen.Bijvoorbeeld een tabel met optelsommen met een uitkomst onder 10. § 9.2.4 getal_kennis
Veldenkennis.N-veldenkennis. § 9.2.5 getal_kennis
Veldrekenen.Beschrijving § 9.2.5 getal_kennis
Verhaaltjessom.Een som ’verstopt’ in een verhaaltje. Ook wel redactiesommen. § 9.1.1 getal_kennis
Vingertellen.Het mysterie ontrafeld? § 9.2.4.4 nul
Plaatswaarde.Plaatswaarde is ... § 5.2.2 nul
Bolleboos.Negatieve getallen. § 4.5.1 nul
Getallenlijn.Met negatieve getallen. § 4.5.1 nul
Getallenlijn.Nul op de getallenlijn. § 4.3.2 nul
Kindrealiteit.Negatieve getallen. § 4.5.1 nul
Kindrealiteit.Speelkwartier: 10:15 op digiboard. § 4.4.1 nul
Leeg.Duidelijk alternatief voor nul (lege plaats). § 4.4.2 nul
Negatieve getallen.Misschien zo gek nog niet. § 4.5.1 nul
Nul.Uitleg van nul. § 4.4.2 nul
Realistisch rekenen.Met negatieve getallen. § 4.5.1 nul
Voorloopnul.Bij de introductie van 10. § 4.4.1 plaatswaarde
Breken naar 10.Breken naar 10 is het opbreken van één term om van de andere term een tiental te maken. Sommen met een tiental zijn gemakkelijk. plaatswaarde
Blind.Blindemannetje spelen op het 100-veld. § 5.4.5 plaatswaarde
Bolleboos.Blind navigeren op het 100-veld. § 5.4.5 plaatswaarde
Elf.Discrepantie tussen taal en rekenen. Eén lettergreep voor twee rekenkundige begrippen: eenheden en tientallen. § 5.5.4 plaatswaarde
Grote getallen.En onder elkaar. § 5.6.1 plaatswaarde
Grote getallen.En plaatswaarde. § 5.2.3 plaatswaarde
Grote getallen.En plaatswaarde. § 5.3 plaatswaarde
Grote getallen.En termen onder elkaar plaatsen. § 5.4.7 plaatswaarde
Grote getallen.Vroegtijdig introduceren. § 5.3 plaatswaarde
Incidenteel leren.Bijvangst bij plaatswaarde is dat het kind sommen onder tien oefent (en automatiseert door min of meer incidenteel leren). § 5.3 plaatswaarde
Kindrealiteit.Russische telwoorden. § 5.5.4 plaatswaarde
Kindrealiteit.Turkse telwoorden. § 5.5.4 plaatswaarde
Lusabacus.Lusabacus en plaatswaarde. plaatswaarde
MAB.Plaatswaarde zit niet in MAB gebakken (Multibase Arithmetic Blocks). Je moet de eenheden en tientallen op de juiste plaats leggen. § 5.4.1 plaatswaarde
Naastelkaar.De getallen en de deelhandeling van een som staan naast elkaar: 12+34=10+30+2+4=40+6=36. Vaak rijgen genoemd. In tegenstelling tot termen onder elkaar. § 5.4.7 plaatswaarde
Nul.Op het 100-veld. § 5.4.5 plaatswaarde
Onder elkaar.De getallen en de deelhandeling van een som staan ónder elkaar:
plaatswaarde
Positiewaarde.Het woord plaatswaarde is meer kindertaal dan het woord positiestelsel. § 5.5.1 plaatswaarde
Realistisch rekenen.Een omgedraaid honderdveld is realistischer § 5.4.5 plaatswaarde
spelenKwartetten met 100-veld. § 5.4.5 plaatswaarde
Tien.Discrepantie tussen taal en rekenen. Eén lettergreep voor twee rekenkundige begrippen: eenheden en tientallen. § 5.5.4 plaatswaarde
Twaalf.Discrepantie tussen taal en rekenen. Eén lettergreep voor twee rekenkundige begrippen: eenheden en tientallen. § 5.5.4 plaatswaarde
Twaalf.Rekenkundig gezien eigenlijk 'een (op de nul van) tien'. Zeg wel dit tegen de kinderen en: Maar we noemen hem twaalf. § 5.2.3 plaatswaarde
Vijftien.Je zou kunnen denken vijf (van/maal) tien dus 50. § 5.5.4 plaatswaarde
Voorloopnul.Voorloopnullen vullen de lege posities links van de cijfers, dus niet 1 maar 01. § 5.5.2 plaatswaarde
Voorloopnul.Wel tonen bij uitleg. § 5.5.4 psychologie_kennis
Kindrealiteit.Doel van het rekenen: met getallen de kindrealiteit beheersen. § 9.1 psychologie_kennis
Blind.Het vingertipfixatieveld. § 8.3.2 psychologie_kennis
Blind.Voelbare markante punten. § 8.3.2 psychologie_kennis
Bolleboos.Zoethouden met oppervlak en oneindigheid. § 8.5.5 psychologie_kennis
Bolleboos.Zoethouden met zeer grote en zeer kleine getallen. § 8.5.5 psychologie_kennis
denkvriendelijkDenkvriendelijk verbeelden. § 8.6 psychologie_kennis
Flitsen.En oogvriendelijkheid. § 8.3.5 psychologie_kennis
Fouten.Door visueel vergissen. § 8.3.6 psychologie_kennis
Fouten.Leren zonder fouten. § 8.5.8 psychologie_kennis
Grote getallen.Leestof indelen op basis van de grootte van getallen. § 8.5.5 psychologie_kennis
Handeling.Met de handen. § 8.2 psychologie_kennis
Incidenteel leren.Bij incidenteel leren leert het kind, zonder dat het expliciet de bedoeling is dat het kind leert. Het kind leert iets ’en passant’, min of meer toevallig, als bijvangst § 8.5.8 psychologie_kennis
Incidenteel leren.Door kindrealiteit § 8.3.1 psychologie_kennis
Instampen.Leren rekenen door sommen te herhalen tot het kind de goede uitkomst geeft. § 8.5.1 psychologie_kennis
Kindrealiteit.Bij ’kind’realiteit sluit het rekenen aan bij de wereld van het kind door te laten zien hoe het kind zijn wereld buiten de rekenles met getallen kan ordenen. § 8.3.1 psychologie_kennis
Kindrealiteit.En instampen. § 8.5.1 psychologie_kennis
Memoriseren,.’Leren’ door (eindeloos) herhalen. Niet door inzicht of verkorten van handelingen. § 8.5.1 psychologie_kennis
Oogfixtieveld. psychologie_kennis
Oogvriendelijk.Een verbeelding is oogvriendelijk wanneer de noodzakelijke informatie in het oogfixatieveld past, een markant patroon heeft, overeenkomt met de uit te voeren handelingen en liefst flitsend of dynamisch getoond kan worden. Met oogvriendelijke patronen kan het oog, zonder tellen, sommen tot 20 maken. § 8.3 psychologie_kennis
Partial identification.Om tijd te winnen luisteren en kijken de hersenen maar met een half oor/oog. § 8.3.3 psychologie_kennis
Pilotentelwoorden.Om volgordevergissingen bij het doorgeven van getallen te voorkomen, zeggen piloten niet: Koers tweehonderdvijfenzeventig maar twee zeven vijf. Omwisseling van tientallen en eenheden is geen rekenfout van het kind maar een fout van de taalmeester. Laat kinderen die zich vaak vergissen pilotentelwoorden gebruiken. Is ook wel stoer. § 8.3.6 psychologie_kennis
Realistisch rekenen.En oogvriendelijkheid § 8.3.1 psychologie_kennis
Realistisch rekenen.En werkgeheugen. § 8.4.2 psychologie_kennis
Sloom werkblad.Het gebruikelijke productgerichte werkblad. § 8.5.2 psychologie_kennis
Sluw werkblad.Met microstapjes loopt het kind ongemerkt door het leerproces. § 8.5.7 psychologie_kennis
Toets.En fouten. § 8.5.9 psychologie_kennis
Toets.Kwalitatief toetsen. § 8.1.2.2 psychologie_kennis
Toets.Vergissingen niet fout rekenen. § 8.3.6 psychologie_kennis
Vergissen,.Visuele vergissingen. § 8.3.6 psychologie_kennis
vermenigvuldigenVan (grote) tientallen. § 8.5.5 psychologie_kennis
Zelf ontdekken.Schijnbaar zelfontdekkend. § 8.5.6 psychologie_kennis
Zone van naaste ontwikkeling.De zone van naaste ontwikkeling houdt in dat de meester de handeling niet vóórdoet maar de leerstof zo aanbiedt rekenend_optellen
Grote getallen.En nul. § 4.2 rekenend_optellen
Automatisering.De uitkomst van een som direct weten, zonder te telen of te rekenen. § 3.4.5 rekenend_optellen
Commutatieve wet.Termen mag je omdraaien. 2+7=7+2. In kindertaal: met de grote beginnen mag of omdraaien (van termen) mag. Zie omdraaier 3.6.3 § 3.6.3 rekenend_optellen
Dubbele som.Dubbele som. Zie tweelingsom. § 3.6.4 rekenend_optellen
Getallenlijn.Getallenlijn of rangordelijn. § 3.4.5 rekenend_optellen
Getallenlijn.Staand of liggend. § 3.4.5 rekenend_optellen
Grote getallen.Leren automatiseren van kleine sommen. § 3.3.3 rekenend_optellen
Incidenteel leren.Van te automatiseren sommen. § 3.3.3 rekenend_optellen
KindrealiteitGetallenlijn, staand of liggend. § 3.4.5 rekenend_optellen
Omdraaier.Zie commutatieve wet. § 3.6.3 rekenend_optellen
Optellen.Verwarrend woord. De rekenmeester zegt vaak tellen maar wil niet dat er geteld wordt. § 3.5.2 rekenend_optellen
Optelsom.Verwarrend woord. De rekenmeester wil juist níét dat het kind rekent door optellen. § 3.5.2 rekenend_optellen
Rangtelwoord.Het woord. Een beetje dubbelop. Rang is volgorde en tellen is volgorde bepalen. § 3.5.2 rekenend_optellen
Realistisch rekenen.Realisering van optellen en aftrekken met bussen en liften. § 3.4.1 rekenend_optellen
Sloom werkblad.Blad met een rij uit te rekenen sommen. De volgorde is min of meer toevallig. In tegenstelling tot sluwe werkbladen. § 3.6.2 rekenend_optellen
Sluw werkblad.Bijvoorbeeld een tabel met optelsommen met een uitkomst onder 10. § 3.6.5 rekenend_optellen
Sluw werkblad.Het kind ontdekt zelf de commutatieve wet. § 3.6.3 rekenend_optellen
SubitizingSubitizing is in één keer, zonder tellen zien wat het aantal is, bijvoorbeeld zes op een dobbelsteen. § 3.4.5 rekenend_optellen
Telwoord.Verwarrend woord. Onduidelijk is of bedoeld wordt rang- of hoeveelheidstelwoord. Beter zou zijn: aantalwoord voor aantallen en volgordewoord of rangwoord voor volgorde. § 3.5.2 rekenend_optellen
Tweelingsom.Som met gelijke termen (4+4, 5x5). Ook wel vriendjessom of dubbele som genoemd . § 3.6.4 rekenend_optellen
Vingerbeelden. § 3.4.3 rekenend_optellen
Vingertellen.Oorzaak de taal? § 3.5.2 rekenend_optellen
Volgordewoord.Het woord. § 3.5.2 rekenend_optellen
Vriendjessom.Zie tweelingsom. § 3.6.4 ruilen
Kwantiwijzer.Waarom de naam Kwantiwijzer. § 8.1.2.1 ruilen
Een onthouden.Onjuiste verwoording. § 7.4.2 ruilen
Geheugensteun.Voor het onthouden van: Tiental aftrekken. § 7.4.2 ruilen
Incidenteel leren.Tafel van 5 en 6. § 7.3.4 ruilen
Kindrealiteit.Het woord inwisselen. § 7.4.1 ruilen
Kindrealiteit.Kindrealiteittijdcontrol. § 7.3.4 ruilen
Klokkijken.Fun met urenveldklok. § 7.3.4 ruilen
Overschrijding van 10.Overschrijding geeft aan wat er gebeurt. Ruilen van 10 geeft de handeling aan die het kind moet uitvoeren. § 7.4.1 ruilen
Ruilen van 10.Het gebruikelijke woord in het onderwijs is inwisselen van 10. Het woord inwisselen is op zich correct. Wel is inwisselen nogal abstract en niet een woord uit de kindrealiteit. tellend_optellen
Tellend optellen.Tellend optellen is hoeveelheid bepalen door rangorde. Tellend optellen is eigenlijk geen rekenen maar een (ordinaal) rijtje opzeggen, net als Iene, miene, mutte. § H. 3 tellend_optellen
Apen.Stipgroepen herkennen. § 2.4.3 tellend_optellen
Bijtellen.Nadat het kind voor elke term een groepje maakt, telt het de tweede term gelijk bij de eerste term. Dus: 4+3= 4 (eerste term),5,6,7 is 7. § 2.3.2 tellend_optellen
Bolleboos.Vermenigvuldigen en delen. § 2.3.2 tellend_optellen
Bolleboos.Vroegtijdig herkennen. § 2.3.2 tellend_optellen
Flitsen.Voor tellers. § 2.4.3 tellend_optellen
Hoeveel is ...De opdracht Hoeveel is 2+3?, is paradoxaal. De opdracht betekent voor het kind: Ga 2+3 optellen. De rekenmeester zegt Ga tellen. maar wil niet dat het kind gaat (vinger)tellen. § 2.5.1 tellend_optellen
Indicenteel leren.Tafel van 5. § 2.4.2 tellend_optellen
Realistisch rekenen.Met kabouters. § 2.4.1 tellend_optellen
Startfout.Als het kind bijtelt en het start bij de tweede term één te laag dan maakt het een startfout. Dus 4+3= 3,4,5 is 6. § 2.3.2 tellend_optellen
Turven.Turven is streepjes zetten om de tel bij te houden. § 2.4.2 tellend_optellen
Vermenigvuldigen.Tafel van 5, incidenteel leren. § 2.4.2 voorwaarden
Tellend optellen.Tellend optellen is hoeveelheid bepalen door rangorde. Tellend optellen is eigenlijk geen rekenen maar een (ordinaal) rijtje opzeggen, net als Iene, miene, mutte. § H. 2 voorwaarden
Behoud van hoeveelheid.Behoud van hoeveelheid: het aantal verandert niet, ook al heeft een groep objecten een veel van een bepaalde eigenschap, veel blauw bijvoorbeeld. § 1.5.1 voorwaarden
Conservatie.Zie behoud van hoeveelheid. § 1.5.1 voorwaarden
Dobbelstenen.En rekenvoorwaarden. § 1.3.3 voorwaarden
Kardinaliteit.Kardinaliteit is aantal. § 1.3.1 voorwaarden
Oogfixatieveld.En Rekenvoorwaarden § 1.3.1 voorwaarden
Realistisch.Realistische eendjes tellen. § 1.3.1 voorwaarden
Seriatie.Objecten op volgorde van hoeveelheid leggen: van kort naar lang, van licht naar donker, etc. § 1.4.3 voorwaarden
Subitizing.En Rekenvoorwaarden § 1.3.1 Ruilen van 10 is plastischer. § 7.4.1 § 5.4.2 dat het kind zelf de betere handeling ontdekt. § 8.5.6 Dus 8+5=8+2+3=13. § 6.1 Op het netvlies ligt rond het fixatiepunt ligt een ovaal veld met zeer veel receptoren. Het aantal receptoren neemt af naar de zijkant van het blikveld. Met het oogfixatieveld kan een mens ongeveer 10 letters redelijk lezen. Informatie in het oogfixatieveld is bewust aanwezig en hoeft niet in het werkgeheugen. § 8.3.2



Speelgoedwinkel.Rekenmateriaal uit de speelgoedwinkel. § 1.3.1